Skip to main content

Mijn ouders maakten veel ruzie met elkaar. Dat was vervelend omdat ik als nakomertje alleen met hen was. 

De sfeer was vaak om te snijden en de naarste herinnering is wel dat ze een keer een half jaar niet met elkaar spraken. We zaten dan met zijn drieën aan tafel en mijn vader vroeg mij dan het zout aan te geven, terwijl het precies voor mijn moeders bord stond. Dat deed pijn… 

Ik heb tijdens mijn jeugd allerlei manieren ontwikkeld om hiermee om te gaan: ik ging me aanpassen, zodat ik in ieder geval geen aanleiding zou geven voor gedoe, want dat was er al genoeg.

Als mijn ouders ruzie hadden, ging ik bemiddelen, praten met de één en daarna met de ander. Soms hielp dat en ik werd er steeds beter in.

Ik was ook heel goed in het aanvoelen hoe de vlag erbij hing. Als er maar iets dreigde te gebeuren, probeerde ik dat uit alle macht te voorkomen. 

Toen ik 28 was en alles had om gelukkig te zijn, was ik dat niet. Ik liep vast omdat ik me in relaties steeds aanpaste. Ik offerde mezelf op. Dat hielp even voor de korte termijn, maar ik hield het niet vol. Uiteindelijk besloot ik in therapie te gaan.

Alles wat ik deed, zo ontdekte ik in de loop der jaren, was gericht op het creëren van mijn eigen veiligheid. Schijnveiligheid, zo bleek later. 

Ik zie dat wie ik ben voor een groot deel voortkomt uit die tijd. En nu, decennia later, ben ik al die ‘kwaliteiten en copingmechanismen’ echt niet kwijt. Ik heb alleen geleerd dat ik kan kiezen en dat mijn veiligheid van binnen zit. Dat ik niet verantwoordelijk ben voor hoe de ander zich voelt, dat ik voor mezelf mag opkomen en dat het helpt om steeds weer trouw aan mezelf te zijn. En dat laatste is niet altijd makkelijk, maar maakt me wel vrij. Vrij om voluit te leven en te werken. En dat is wat ik iedereen gun!